Stadsplan
Veilig
Antwerpen moet veiliger.
Antwerpenaren moeten zich in hun buurt of wijk veilig kunnen voelen. En voor al
wie hier komt werken of hier tijdelijk verblijft, geldt hetzelfde.
Veilige en leefbare steden
zijn vitale plekken. Dat trekt volk en activiteiten aan. Antwerpen doet het op
dit punt de laatste tijd lang niet zo slecht.
De stadsvlucht is gekeerd. Met
tal van kleine en grote infrastructuurprojecten staat de hele stad in de
steigers. Duizenden mensen komen iedere
dag in de stad werken. De haven blijft containerrecords breken. Op cultureel
vlak zijn we nummer één. In evenementen en cultuurtoerisme zijn we top. En de
criminaliteitscijfers zitten in dalende lijn. We klokken vandaag met het aantal
geregistreerde misdrijven af onder het niveau van 2000.
Toch is de ontevredenheid en
het onbehagen bij de inwoners groot. Terwijl de feitelijke onveiligheid daalt,
blijft de ervaren onveiligheid bij de Antwerpenaren groot. Bijna twintig procent van de
bevolking ervaart altijd of vaak onveiligheidsgevoelens. Eén op drie mijdt
altijd of vaak bepaalde plekken in de stad. En ook overlastgebonden
buurtproblemen zijn een zorg. Antwerpenaren ergeren zich aan rommel in hun
buurt en aan agressief verkeersgedrag.
De opdracht van het
stadsbestuur is duidelijk. De criminaliteit moet verder naar omlaag. Maar
vooral de ervaren onveiligheid en de overlast dienen te worden aangepakt.
Politie en parket,
stadsdiensten en particuliere organisaties hebben de laatste jaren nochtans
hard gewerkt. Die inspanningen worden in dit stadsplan geenszins miskend. Maar
de afstemming kan op vele vlakken beter. Het veiligheidsbeleid is gebaat met
meer sturingscapaciteit en coördinatievermogen. Op korte termijn dient aan
stadskant de regie van het denken plaats te ruimen voor de regie van het
doen.
Problemen rond veiligheid, leefbaarheid en integratie maken de kern uit van het veiligheidsbeleid. In iedere grote stad komen ze als weerbarstig en bijzonder complex naar voor. Ze raken onvermijdelijk aan grote en dure beleidsambities: de strijd tegen sociale uitsluiting, het garanderen van sociale grondrechten voor eenieder, het versterken van het sociaal-economisch potentieel, enzovoort.
Dit stadsplan wil zich aan die
enorme schaal niet vertillen. Een veiligheidsconcept dat kiest voor een
allesomvattende tackle van factoren die veiligheid kunnen bedreigen, is
onhaalbaar. Dergelijke maakbaarheidsambities dreigen de stad en haar
stedelijkheid overigens zelf een kopje kleiner te maken. Het is eerder zaak om
kernpunten van het stedelijk veiligheidsbeleid te definiëren en prioriteiten
vast te stellen die iedereen onderschrijft.
Dit stadsplan Veilig heeft
twee ambities:
·
aanzwengelen van het stedelijk
kernbeleid Veilig;
·
de stadsinzet en de stadsorganisatie
stroomlijnen in functie van de beleidsprioriteiten van de partners van de
zonale veiligheidsraad, zijnde criminaliteitsbestrijding van woninginbraak,
diefstal uit auto en gewelddadige diefstal; jongerencriminaliteit;
overlastbestrijding en verkeersveiligheid.
In zes delen proberen we de
ambities scherp te stellen. Eerst schetsen we bondig het veiligheidsbeeld van de stad. Daarna stellen we de
visie op het veiligheidsbeleid
scherp. Vervolgens leggen we strategische ambities en prioriteiten vast. In
deel vier buigen we ons over het noodzakelijke organisatievermogen en in deel
vijf lichten we het beschikbare budget toe. Tot slot geven we een idee van de
verdere planning.
In dit eerste deel schetsen we
met een beperkt aantal kerncijfers in drie hoofdstukken het veiligheidsbeeld
van de stad: feitelijke onveiligheid, ervaren onveiligheid en overlast komen
achtereenvolgens aan bod.
Voor de leesbaarheid geven we
de kerncijfers zoveel mogelijk weer in eenvoudige grafieken. De
gegevensselectie gebeurde in functie van de inhoudelijke prioriteiten die
verderop aan bod komen.
Dit is geen wetenschappelijk
rapport. Dit is een beleidsplan dat de richting aangeeft van het
veiligheidsbeleid voor de komende twee jaar. In die zin nuanceren we niet
iedere grafiek met een pak voetnoten. Het is intussen wel duidelijk dat de
criminaliteitscijfers met de nodige voorzichtigheid gelezen dienen te worden
omwille van verschillende beperkingen op vlak van aangiftebereidheid,
vattingsgraad en misdaadanalyse. Afgezien daarvan spreken de data hieronder wel
voor zichzelf.
Criminaliteitscijfers werden
aangeleverd door de Lokale Politie Antwerpen. Gegevens over ervaren
onveiligheid en overlast komen uit de Federale Veiligheidsmonitor. De bewerking
en verwerking van het materiaal gebeurde door de stedelijke analist van het
Veiligheids- en preventiecontract.
et w
De criminaliteitscijfers in de stad Antwerpen zijn in 2003 op jaarbasis met 12 procent gedaald tot ruim 53.000 geregistreerde misdrijven. Daarmee doorbreken de statistieken de stijgende trend van de laatste jaren. In vergelijking met 2000 is er in 2003 een daling met 6 procent. En de halfjaarresultaten voor 2004 bevestigen die trend.

Het ene
misdrijf is natuurlijk het andere niet. Niet alle misdrijftypes hebben dezelfde
impact op het veiligheidsgevoel van mensen. Zo hebben feiten die worden
gepleegd in de openbare ruimte, op straat of op een plein, een grote weerslag
op het veiligheidsgevoel van mensen.
Straatcriminaliteit
zoals straatroven of diefstal met geweld verdienen in die zin bijzondere
aandacht. Vaak worden die misdrijven ook door jongeren gepleegd. Daarmee
markeren die misdrijven in veel gevallen de grens tussen overlast en
criminaliteit en de haast rituele overgang van een aandachtsjongere met
problemen naar een probleemjongere met politieaandacht.
In 2003
zijn straatmisdrijven goed voor 13.5 procent van alle misdrijven. Net zoals de
algemene criminaliteitscijfers daalt ook de straatcriminaliteit in vergelijking
met het jaar ervoor. De straatcriminaliteit daalt met 13 procent en dat is
forser dan de algemene daling van 6 procent het laatste jaar.

De politie
stelt, samen met het parket en het stadsbestuur, sinds de politiehervorming
prioriteiten in haar aanpak. Met extra en gerichte inspanningen probeert men
een beperkt aantal misdrijven in te dijken. In de voorbije periode 2003-2004
lag het accent op de zes volgende misdrijven: gauwdiefstal, woninginbraak,
diefstal met geweld, handtassenroof, gewapende diefstal en diefstal uit auto.
Onderstaande
grafiek leert dat die aanpak vruchten afwerpt.

In
vergelijking met 2002 klokken de meeste misdrijven lager af. Diefstal uit auto,
gewapende diefstal, woninginbraak en diefstal met geweld dalen sterker dan
gemiddeld. Handtassenroof en gauwdiefstal dalen het laatste jaar iets minder
dan gemiddeld.
In bijlage
I zijn grafieken opgenomen waarin de criminaliteitsgraad voor een aantal feiten
wordt vergeleken met de Vlaamse centrumsteden.
Uit de grafieken blijkt dat Antwerpen alvast op de goede weg zit.
Ook voor de komende jaren hebben de partners van de zonale veiligheidsraad prioriteiten vastgelegd. In de periode 2005-2008 ligt de prioriteit op het bestrijden van overlast, het indijken van jongerencriminaliteit, het bestrijden van de misdrijven woninginbraak, diefstal uit auto en diefstal met geweld en tenslotte het verhogen van de verkeersveiligheid. Het is de bedoeling van dit stadsplan Veilig om de stadsengagementen in functie van die prioriteiten ondubbelzinnig vast te leggen.
Geregistreerde misdrijven verschillen sterk van buurt tot buurt. De Lokale Politie Antwerpen werkt in zes geografische afdelingen. De afdelingen City, Centrum en West vormen het grondgebied binnen de stadsring met Linkeroever meegerekend. De andere drie afdelingen - Zuid, Oost en Noord- omvatten een aantal districten en extra muros districtsdelen.
Net zoals de onevenwichtige spreiding van de bevolking over de verschillende districten, nestelen misdrijftypes zich ongelijk over politieafdelingen. Gauwdiefstal doet zich vooral voor in het centrum. Woninginbraken gebeuren dan weer vooral ‘buiten de muren’. Onderstaande kaart geeft een overzicht van de omvang van de geregistreerde misdrijven per afdeling.

De kaart laat duidelijk zien dat de criminaliteit in Antwerpen zich concentreert ‘binnen de muren’. In de afdelingen City, Centrum en West wordt 65 procent van de prioritair geselecteerde misdrijven gepleegd.
Verdachten
Het is niet
zo eenvoudig om een scherp beeld te krijgen van misdrijfplegers. Hieronder
geven we een beeld van de verdachten op basis van de politiecijfers over de
geregistreerde misdrijven in 2003.
Slechts een
deel van de misdrijven wordt opgehelderd. De vattingsgraad varieert sterk
volgens misdrijftype. Sommige delicten zoals diefstal uit auto kennen
traditioneel een laag ophelderingspercentage, terwijl drugsdelicten,
opzettelijke slagen of winkeldiefstal een hoog ophelderingspercentage kennen.
Veralgemeenbare uitspraken over daders van bepaalde misdrijven zijn op basis
van verdachtenprofielen niet mogelijk.

Gezien de lage ophelderingsgraad dienen persoonsgegevens over verdachten met de nodige voorzichtigheid gelezen te worden. Hieronder geven we de verdachtencijfers opgesplitst naar nationaliteit en leeftijd.


Wat leren we uit het
verdachtenprofiel van de prioritair weerhouden misdrijven in 2003? Enkele
trends springen in het oog. Naast de Belgen komen vooral Marokkanen en Centraal
en Oost Europeanen in de cijfers naar voor als verdachten. Turken daarentegen
hebben een laag aandeel in de verdachtencijfers.
Bij gauwdiefstal zijn
verdachten uit Centraal en Oost Europa oververtegenwoordigd. Verhoudingsgewijs
plegen veel Belgen diefstal met geweld en handtassenroof. Maar vermits het hier
om nationaliteitsgegevens gaat, kunnen hier ook Belgen van vreemde origine een
belangrijk aandeel in hebben.
Als we kijken naar de leeftijd
van de verdachten, valt op dat diefstal met geweld en handtassenroof gepleegd
worden door een zeer jonge verdachtengroep. Veertig procent van de
handtassenroven wordt bijvoorbeeld gepleegd door minderjarigen.
Dankzij de inspanningen van de
cel jongerencriminaliteit hebben we een vrij goed beeld van jongeren tot 25 jaar die misdrijven plegen op
de openbare weg, al dan niet in groepsverband.
Sinds 1996 volgt de politie deze groep zeer nauwgezet op. Algemeen
gesproken stelt politie vast dat
jongerencriminaliteit almaar verjongt, terwijl de feiten agressiever
worden.
De cel jongerencriminaliteit
van politie pakt dankzij haar recherchewerk veel gerichter jongeren op. Die
aanpak loont. In 2003 kon men bij één op de twee verdachten overgaan tot
arrestatie. Opvallend is dat van de gearresteerden bijna drievierde (73
procent) minderjarig is en dat 33 procent van de gevatte daders na de
invrijheidsstelling onmiddellijk opnieuw feiten pleegt.
Eén op de vijf Antwerpenaren
(20 procent) zegt in de Veiligheidsmonitor 2002 slachtoffer te zijn geweest van
een misdrijf. Het gaat hier om strafbare feiten zoals diefstal buitenshuis,
bedreiging met lichamelijk geweld, lichamelijk geweld, vluchtmisdrijf in het
verkeer of misdrijven tegen de seksuele moraal. In vergelijking met de andere
Vlaamse centrumsteden scoort Antwerpen hiermee het hoogst. Maar ter
vergelijking in zoverre mogelijk: in Amsterdam beweert 53 procent van de
inwoners slachtoffer te zijn geweest van criminaliteit.

De federale veiligheidsmonitor meet tweejaarlijks met een telefonische enquête de onveiligheidsgevoelens bij de bevolking. Antwerpenaren voelen zich een pak onveiliger dan de gemiddelde Belg maar wel veiliger in vergelijking met andere Belgische grootstadsbewoners onder de taalgrens.

Bij de laatste bevraging in 2002 bleek dat 17,7 procent van de Antwerpenaren zich altijd of vaak onveilig voelt. Dat is bijna één op vijf. Tegenover 2000 was er een lichte daling maar tegenover 1997 is dat nog een stijging met 24 procent.

Criminaliteitscijfers zijn hier van weinig tel. Onveiligheidsgevoelens zijn de doorsnede van een verzameling van angstgevoelens, onzekerheid en onbehagen. Zo bepaalt de weerbaarheid van mensen vaak in hoge mate of ze zich onveilig voelen op een plein of in een buurt. De tolerantiegraad ten aanzien van fenomenen zoals vuile straten, nachtlawaai, sluikstort, rondhanggedrag van jongeren, de geconcentreerde aanwezigheid van ‘buitenstaanders’ (vreemdelingen) of sociaal kwetsbaren (bedelaars, daklozen) is voor iedereen anders. Ervaren overlast heeft dus evenzeer een invloed op het onveiligheidsgevoel.
Mensen
ervaren overlast wanneer ze -meer dan hun lief is- geconfronteerd worden met
voor hen ontoelaatbaar gedrag dat plaatsgrijpt in hun directe leefomgeving.
Lang niet alle overlastgedrag kan beteugeld worden via strafrechterlijke weg.
Maar vele zogenaamde kleine overlastfeiten hebben een groot storend karakter.
Alleen een gezamenlijke politionele, justitiële en bestuurlijke aanpak zal baat
brengen.
In beginsel
ervaren burgers veel overlastgedrag als onbeleefd en antisociaal. Maar dat
gedrag valt doorgaans niet gemakkelijk te bestraffen. Als gevolg daarvan voelen
mensen die ermee te maken hebben zich in de steek gelaten en niet gerespecteerd
als burger. En dat zorgt dan begrijpelijk voor onveiligheidsgevoelens en
vertrouwensverlies in de overheid. Op die manier leiden balorig gedrag en
baldadigheid tot afkeer en onbegrip tussen bevolkingsgroepen of regelrechte
burenhaat. Daarom verdient overlast een
prominente plaats in het veiligheidsbeeld en –beleid van de stad.
Overlast
valt niet simpel te vatten in cijfers. De Veiligheidsmonitor meet in hoeverre
mensen last hebben van overlastgebonden buurtproblemen. De top drie van de
buurtproblemen van de Antwerpenaar bestaat uit: rommel op straat, agressief
verkeersgedrag en storend rondhanggedrag van jongeren. In onderstaande grafieken
blijkt dat de Antwerpenaar zich meer dan de gemiddelde Vlaming stoort aan die
problemen.


* “wel” geeft de
optelling van de percentages voor de antwoorden “helemaal wel” en “eerder
wel” ; “niet” de optelling voor “eerder niet” en “helemaal niet”. De antwoorden “weet niet” zijn in de
grafieken niet opgenomen.

In bijlage steken grafieken die de evolutie van de buurtproblemen in de stad Antwerpen
weergeven (bijlage II).
Overlast bestaat, gezien haar
subjectief karakter, in vele vormen en gedaanten. In de acties die volgen uit
dit plan onderscheiden we 12 overlasttypes, opgedeeld in fysieke (5) en sociale
overlast (7).
|
Fysieke overlast |
Sociale overlast |
|
1. Vuil op straat |
1. Intimidaties |
|
2. Beschadigd
straatmeubilair en defecte voorzieningen |
2. Bedreigingen &
conflicten |
|
3. Commerciële verloedering |
3. Storend rondhanggedrag |
|
4. Verwaarlozing, leegstand
en verkrotting |
4. Overlastgevende
drankgelegenheden |
|
5. Lawaai en stank |
5. Drugsgebonden overlast |
|
|
6. Huisjesmelkerij |
|
|
7. Verkeersoverlast |
Overlast is ongelijk gespreid over de
stad. Buurten in de aandachtswijken hebben meer
last van een concentratie aan overlasttypes. In bijlage steken twee
overzichtskaarten met de fysieke (bijlage III) en sociale (bijlage IV) overlast
in de verschillende buurten in Antwerpen. Deze kaarten bundelen een aantal
overlasttypes zoals storend rondhanggedrag, sluikstort, drugsoverlast en
verwaarlozing, leegstand en verkrotting. Het is duidelijk dat de overlast zich
in Antwerpen concentreert in het noordoosten (Antwerpen Noord, oud-Borgerhout,
Merksem Dokske) en in het zuiden (Kiel en een paar wijken in Hoboken).
Alleen een gedragen visie op
het veiligheidsbeleid kan de drie strategische ambities (verhogen van
feitelijke veiligheid, verhogen van ervaren veiligheid en terugdringen van
overlast), vertalen naar heldere
operationele doelen en een korf krachtige acties en maatregelen. Een gedegen
visie moet een degelijke uitvoeringspraktijk schragen.
Er is aan conceptteksten rond
‘integrale veiligheid’ in Antwerpen geen gebrek. Maar van een
gemeenschappelijke, door allen gedeelde visie is geen sprake. Daarvoor is
veiligheid blijkbaar een te beladen begrip. Van die koudwatervrees moeten we
af. Al is het maar omdat nu al verschillende partners hard en succesvol werken
op deelterreinen, vaak op projectbasis, met tijdelijke inzet van mensen of
middelen en afhankelijk van de goodwill van enkelingen.
Aan goede praktijken geen
gebrek. Antwerpse veiligheidsprojecten zoals Lijnspotting, U-Turn of het
Boysproject vielen al in de prijzen. De huisarrestmethode van de Antwerpse
politie en het parket is een uitstekend voorbeeld van samenwerking rond een
alternatieve strafuitvoering die werkt. De samenwerking tussen politie, parket
en de stedelijke dienst Huisvesting in de aanpak van verloedering, verkrotting
en leegstand is zonder meer baanbrekend.
Maar toch kan de coördinatie
van het veiligheidsbeleid beter. Volgehouden inspanningen blijven uit. Dat
probleem heeft niet één maar vele oorzaken en de verantwoordelijkheid hiervoor
dient derhalve collectief te worden gedragen.
Het huidige versnipperde
beleid is mede te wijten aan een erg brede invulling van het concept van
‘integrale veiligheidszorg’. Doorgaans wordt onder integrale veiligheidszorg de
allesomvattende aanpak van criminaliteit, onveiligheidsgevoelens en overlast
in al hun aspecten verstaan.
Ga daar maar aan staan. Dat is
erg veel voor een mensenleven en zeer ambitieus voor één bestuursniveau.
Onhaalbaar bovendien voor een beleid dat met veiligheid, leefbaarheid en
integratie met zeer hardnekkige en weerbarstige problemen af te rekenen heeft.
En dat bovendien in een typisch Europese stad die lang niet zo maakbaar is als
sommigen hopen.
Stadsplan Veilig wil van die
valse illusies af en ruilt daarom het allesomvattende integrale beleid in voor
een kernbeleid Veilig dat keuzes durft te maken op inhoudelijk en organisatorisch
vlak. De ambitie om samen doelen en prioriteiten te formuleren blijft uiteraard
overeind. Maar het moet allemaal niet zo breed en volledig mogelijk. De bekende
veiligheidsketen (pro-actie, preventie, preparatie, repressie, nazorg) waaiert
te ver en onbestemd uit. Het is beter om rond een aantal inhoudelijke punten
met de strategische veiligheidspartners de keten te sluiten tot een geoliede
ketting.
Inhoudelijk kiezen we voor een
dubbelspoor: een gebiedsgerichte aanpak van hotspots en een doelgroepgerichte
aanpak van hotshots, een bonte verzameling welomschreven daders en
risicogroepen.
Met de gebiedsgerichte aanpak voeren we in 10 buurten in de stad buurtregie. Buurtregisseurs houden hun ogen en oren wijdopen en signaleren voortdurend de maatregelen en inspanningen die nodig zijn om buurten leefbaarder te maken. Zij vallen hiervoor terug op een netwerk van toezichtspartners en buurtactoren van allerlei slag. De acties van buurtregie pakken verschillende overlasttypes aan met vier grote doelen: propere buurt, hele of herstelde buurt, veilige buurt en buurt waar het prettig om leven is. We werken zonder excuses en taboes, daar waar nodig pand per pand en met inzet van een brede waaier aan diensten. Daarom kiezen we op plekken waar de leefbaarheid ontoelaatbaar onder druk staat voor een straataanpak waarbij een heleboel diensten samen actief zijn.
Omdat fenomenen en feiten
altijd door mensen worden gepleegd, pakken we met doelgroepregie daders en
risicogroepen aan in plaats van delicten. Na een afgemeten definiëring van
iedere doelgroep, werken we met alle betrokken partners aan persoonsdossiers om
via doorgedreven casemanagement tot een sluitende aanpak op maat te komen.
Voor de aanpak van de
inhoudelijke prioriteiten hanteert het kernbeleid Veilig volgende
uitgangspunten:
·
initiatieven die een algemeen beleid
ondersteunen -zoals jeugd, welzijn, gezondheid, onderwijs of arbeidsmarkt- zijn
cruciaal om pro-actief en structureel veiligheid te verhogen. Maar zij dienen
een breder doel dan datgene wat een kernbeleid Veilig beoogt: ze garanderen
grondrechten in hun geheel. Kernbeleid Veilig staat voor een preventiebeleid
met doorgedreven dader- en cliëntregie, dossieropbouw en casemanagement. Een
preventiebeleid is immers alleen uitvoerbaar wanneer het zich richt op
doelbewuste en systematische initiatieven die in directe lijn
veiligheidsrisico’s proberen te beperken of te voorkomen. Beleidsacties als
onderdeel van een sociale politiek van insluiting laten we bijgevolg aan
anderen die hiervoor beter geplaatst zijn;
·
kernbeleid Veilig legt de
verantwoordelijkheden rond de sociaal-structurele aanpak bij de daarbijhorende
beleidsterreinen, onderwijs en arbeidsmarkt in het bijzonder. Maar
sociaal-economische achterstelling kan nooit een excuus zijn voor crimineel of
antisociaal gedrag. Persoonsgebonden kenmerken, gezins- en
omgevingsfactoren kunnen vaak normoverschrijdend
gedrag voorspellen. Daarom bevat het kernbeleid Veilig wel een onbetwiste
sociaal-culturele pit met de ambitie om burgers meer op elkaar te betrekken, de
kwaliteit van sociale relaties te verbeteren en verantwoordelijkheidszin voor
de leefomgeving op te krikken. Onder de noemer sociale infrastructuur vatten
we de mate waarin voorzieningen en betrekkingen het mogelijk maken dat
mensen in redelijkheid in sociale verbanden kunnen leven en kunnen participeren
in de samenleving;
·
kernbeleid Veilig heeft de 20-80
metafoor in het achterhoofd. Zoals met zoveel zaken in het leven, stellen er
zich voor tachtig procent van de bevolking geen noemenswaardige
veiligheidsproblemen. Het merendeel van de mensen is redelijk succesvol, leeft
in relatieve welvaart, voelt zich relatief veilig en heeft weinig problemen met
allochtonen of rondhangende jongeren. In de meeste gezinnen gaan de mensen
respectvol met elkaar om. Kernbeleid Veilig richt zich vanzelfsprekend op
diegenen die wel voor problemen zorgen. Op die manier kunnen dingen bij naam
worden genoemd en taboes zonder pardon worden doorbroken;
·
het kernbeleid Veilig laat de stad in
haar stedelijkheid. Verandering en dynamiek zijn eigen aan een stad, zo ook het
vreemde, het anders zijn, de culturele diversiteit. Het is niet de bedoeling om
alle verschillen uit te vlakken. Hechte gemeenschapsbanden, zoals in de dorpen
of de arbeidersbuurten van weleer, zijn niet het einddoel van een stedelijk
veiligheidsbeleid. Kernbeleid Veilig legt de lat lager, op het punt waar een
ondergrens van formele en onuitgesproken normen het sociaal verkeer markeert en
een fatsoenlijke omgang met de publieke ruimte oplegt;
·
we kiezen voor een compromisloze
buurt- en straatregie. Er loopt in de geselecteerde buurten en straten teveel
mis. Ondanks een doorgedreven aanpak van problemen, weten we dat de meerderheid
van de interventies uiteindelijk neerkomt op het zoeken van gepaste zorg- en
hulparrangementen voor behoeftige mensen. Vandaar de keuze voor een
zorgvriendelijke en zorgbrede regie. Op basis van de acties nemen we ons voor
om voortdurend te vragen naar de vele gewenste voorzieningen en regelingen die
vaak onvoldoende aanwezig zijn of helemaal niet voorhanden: taalcursussen,
opvoedingshulp, opvangplaatsen,
repatriëringmogelijkheden, gepast werk, gepaste therapie of gepaste
onderwijsvormen. Maar gevoeligheden bij de daderregie kunnen geen excuus zijn
voor een slappe buurtregie.
Voor de organisatorische
aspecten en de rolverdeling tussen veiligheidspartners, gelden volgende
uitgangspunten:
·
Volwaardig partnerschap,
coördinatiebereidheid en integraal en geïntegreerd werken zijn mooie principes,
maar in een kernbeleid Veilig komt het er op aan om taken en
verantwoordelijkheden in functie van de competenties van elk van de partners
voldoende te onderscheiden en vast te leggen. Elk zijn eigen job met volle
goesting is hét motto van het kernbeleid Veilig, binnen
gemeenschappelijk vastgelegde doelstellingen met eigen methodieken.
·
Bijzondere aandacht dient daarom te
worden besteed aan informatieuitwisseling tussen de veiligheidspartners en een
betere registratie van de afzonderlijke inspanningen. De stad wil in
projectdispatching en coördinatie wel kop trekken. Maar de noodzakelijke
informatie om alleen nog maar de lopende projecten te beoordelen en te controleren
ontbreekt op dit moment grotendeels. Rapportering en monitoring moeten
vollediger en correcter en dat vergt een cultuuromslag in vele organisaties.
·
Als we inhoudelijk kiezen voor een
pragmatisch draaiende veiligheidsketting, dan is een wijkgerichte politie
essentieel. Natuurlijk zijn heel veel overlastproblemen slechts ten dele aan te pakken via politioneel of
justitieel werk. Toch is de bijdrage van een zichtbare, aanspreekbare en
contacteerbare wijkagent aanzienlijk
·
De stad heeft dan weer de verantwoordelijkheid
om het kernbeleid Veilig aan te zwengelen. Het stadsbestuur hoeft lang niet
altijd zelf te roeien, maar de sturingscapaciteit moet wel fors omhoog. In die
zin wordt het bestuurlijke luik van het kernbeleid Veilig voortaan vormgegeven
in een horizontaal georiënteerde projecteenheid onder rechtstreeks gezag van de
schepen voor integrale veiligheid en in nauw overleg met de burgemeester.
Daartoe krijgt de projecteenheid opdracht om zowel voor buurtregie, als voor
doelgroepregie, als voor stadsbrede programma’s met alle betrokken partners
concrete actieplannen uit te werken met bijzondere aandacht voor hun impact op
de reguliere werking. Zodra een actieplan is goedgekeurd door het college,
krijgt de projecteenheid Integrale Veiligheid uitdrukkelijk het mandaat om de
regie te voeren over de uitvoering van dit actieplan. Dit wordt verder
geformaliseerd in dienstverleningsovereenkomsten tussen integrale veiligheid en
de betrokken bedrijfseenheden waarbij de noodzakelijke inzet van mensen,
middelen en diensten wordt gegarandeerd. Zo zal de stad beter in staat zijn om
met de beschikbare middelen de welzijnssector, politie en justitie rond de
tafel te zetten in functie van een betere dispatching van buurt- en
doelgroepsignalen.
·
De districten Antwerpen, Borgerhout,
Merksem, Hoboken, Berchem en Deurne zijn in de aanpak van de buurtregie
bevoorrechte partners. In doelgroepregie
is het OCMW een bevoorrechte partner in de
stroomlijning van het hulpverleningsaanbod.
·
De stad heeft een belangrijke
verantwoordelijkheid in de aanpak van onveiligheid en overlast, maar preventie
kan niet zonder evenveel inzet van burgers en bewonersgroepen, de uitbesteding
van taken via beheersovereenkomsten met geprefereerde derdenorganisaties en de
nodige aandacht van de bovenlokale bestuursniveaus.
Het veiligheidsbeeld staat op
punt en de visie op het veiligheidsbeleid is herijkt. Het is nu zaak om doelen
te formuleren en beter gepland de prioriteiten aan te pakken. Hieronder sommen
we voor buurt- en doelgroepregie telkens de prioriteiten op. Daarnaast
formuleren we een aantal programma’s die stadsbreed aandacht verdienen. Na
goedkeuring van het stadsplan worden de prioriteiten omgezet in actieplannen
die de stadsengagementen expliciteren.
Dit stadsplan Veilig is een
bestuurlijke annex bij het zonaal veiligheidsplan 2005-2008. Met een
eigen bestuurlijke insteek scharniert het rond de prioriteiten van de partners
van de zonale veiligheidsraad. Het gaat concreet om woninginbraken, diefstal
uit auto, diefstallen met geweld en jongerencriminaliteit, maatschappelijke
overlast en verkeersveiligheid. Met dit stadsplan geven we vooral een aanzet
voor de prioriteiten overlast en jongerencriminaliteit.
Een aantal beleidsdomeinen die
momenteel degelijk gepland verlopen, zoals verkeersveiligheid,
prostitutiebeleid of drugsbeleid, hebben we hier niet in extenso opgenomen. In
deze materies zullen, waar nodig, slechts enkele bijsturingen voorgesteld
worden. De planning rond verkeersveiligheid loopt sinds het begin van de bestuursperiode.
Hetzelfde geldt voor het prostitutiebeleid. Recent keurde het college een nieuw
drugbeleidsplan goed. Het is zaak om de inspanningen terzake eveneens te
stroomlijnen met wat hieronder wordt voorgesteld.
Stadsbreed en overkoepelend
werken we in ieder geval aan volgende drie strategische ambities: een
substantiële daling van feitelijke onveiligheid, een substantiële daling van de
ervaren onveiligheid en een zichtbare vermindering van overlast overeenkomstig
de criteria die tegen 31 december 2004 samen met alle partners van de zonale
veiligheidsraad zullen worden vastgesteld.
Antwerpen
heeft recent 12 buurtregisseurs vrijgemaakt voor het veiligheidsbeleid. Zij
hebben een jarenlange ervaring in buurt- en pleinwerk gericht op het verbeteren
van de leefbaarheid. Zij zijn actief in een aantal buurten die geselecteerd
werden op basis van een overlastanalyse.
Op basis
van de resultaten van het overlastonderzoek, de LIVA-studie en tevens op basis
van de signalen van de stedelijke toezichtsnetwerken (politie, stadsdiensten,
sociale huisvestingmaatschappijen, derdeorganisaties) hebben we 10 buurten en 5
straten (clusters) geselecteerd waar de woon- en leefkwaliteit te wensen
overlaat.
De 10
hotspotbuurten
·
’t Dokske Merksem
·
Kronenburg Deurne
·
Borgerhout Zuid
·
Kruger - den Drink
Borgerhout
·
Stuivenberg
·
Atheneum -
Statiekwartier
·
Europark
·
Draaiboom - Majoor
Malfaitplein Hoboken
·
Kiel Centrum
·
Oud-Berchem
De 5
hotspotstraten
·
Provinciestraat
·
Van Kerckhovenstraat
·
Lange
Beeldekensstraat/Offerandestraat
·
Dambruggestraat
·
Gemeentestraat/Turnhoutsebaan/Carnotstraat

In buurtactieteams en toezichsnetwerken werken betrokken diensten en organisaties onder leiding van een buurtregisseur samen aan een draaiboek met acties en maatregelen voor minder overlast en een leefbare hotspotbuurt. Afhankelijk van het criminografisch profiel en het overlastprofiel van de buurt differentiëren we de aanpak. In de ene buurt zullen we meer aandacht besteden aan het wegwerken van commerciële verloedering. In een andere buurt kunnen de problemen zich concentreren rond storend rondhanggedrag van jongeren. In sommige buurten zullen specifieke acties (sluiten van een vzw, parkeeroverlast aanpakken, camerabewaking op een sluikstortspot) soelaas moeten brengen.
Om de zichtbaarheid van buurtregie voor de burgers te vergroten zetten we geregeld buurt-aan-de-beurt-acties op. Tijdens een korte periode zetten we in functie van een propere, hele of herstelde, veilige en plezante buurt activiteiten op en informeren we burgers over de stand van zaken rond leefbaarheidsproblemen die voorheen al werden gesignaleerd.
In
Antwerpen Noord en Borgerhout concentreren de problemen zich in die mate, dat
we daar kiezen voor een extra buurt-aan-de-beurt. Dit betekent dat we met alle betrokken diensten (politie,
inspectiediensten, welzijn, werkgelegenheid, burgerlijke stand, bijstand,
huisvesting, …) huis na huis door de straat trekken.
We brengen systematisch in kaart:
·
wie er woont,
·
in welke omstandigheden,
·
met welke nationaliteit en in welk
verblijfsstatuut,
·
met welke taalvaardigheid,
·
met welk statuut op vlak van inkomen,
werk en welzijn.
Behoeften
op verschillende terreinen worden systematisch en geïnformatiseerd in kaart
gebracht. De straatacties dienen op die manier twee doelen. In de eerste plaats
verzamelen en beheren we als overheidsdiensten informatie waarvan de burger
verwacht dat we ze beheren en er actief mee omspringen. In de tweede plaats
werken we aan passende oplossingen voor gesignaleerde of gedetecteerde
problemen.
Deze aanpak
is bijzonder intensief in menskracht en tijdsbesteding. Iedere actie vergt een
zeer goede voorbereiding en volgehouden nazorg en terugkoppeling van
resultaten. De dataverzameling en de inzet van een brede waaier van diensten
zijn onontbeerlijk. Op het eerste zicht, zoals bij een ‘gewone’ buurt aan de
beurt, kan de indruk ontstaan dat er vooral gesteund wordt op diensten die zich
inlaten met het straatbeeld, maar de werklast voor cliëntgerichte hulp- en
zorgarrangementen mag in deze aanpak allerminst worden onderschat.
Zonder
planning en controle is het onmogelijk de doelstellingen te bereiken. Daarom
werken buurtregisseurs met een eenvoudig model dat toelaat om systematisch
verbetervoorstellen te signaleren op vlak van overlastbestrijding en
leefbaarheid.
In een
matrixmodel toetsen we op de horizontale assen af of we inhoudelijk voldoende
dekkend werken. Op de verticale assen gaan we na of de nodige instrumenten ter
beschikking staan. Met de ‘VeiligMix’ kunnen we grondig rekenschap afleggen
aan al wie daarom vraagt. Met de knipperlichtmethode in de VeiligMix kunnen we
overzichtelijk lacunes signaleren en verbetervoorstellen op tafel leggen,
zonder dat diensten nog langer de zwarte piet naar elkaar moeten doorspelen.
|
|
Mensen |
Middelen |
Regelgeving |
Afstemming |
Info
& analyse |
|||||
|
Toezicht
& handhaving |
|
1 |
|
2 |
|
3 |
|
4 |
|
5 |
|
Fysieke infrastructuur |
|
6 |
|
7 |
|
8 |
|
9 |
|
10 |
|
Sociale infrastructuur |
|
11 |
|
12 |
|
13 |
|
14 |
|
15 |
|
Hulpverlening |
|
16 |
|
17 |
|
18 |
|
19 |
|
20 |
Op de
horizontale assen toetsen we af op vier beleidsterreinen of thema’s:
·
is er voldoende toezicht &
handhaving (buurtpolitie, buurttoezicht, pv’s, administratieve boetes,
parketopvolging, camera’s, …)?
·
wordt de fysieke infrastructuur goed
beheerd en onderhouden (straatbeeld, staat van pleinen en panden, sluikstort, …)? Of zijn er nieuwe grote
investeringen in fysieke infrastructuur nodig (nieuwe sporthal, nieuw
speelplein, extra ontmoetingsruimte of fuiflokaal, ..)?
·
wordt de bestaande sociale
infrastructuur zorgvuldig beheerd en onderhouden (zijn er actieve bewoners,
jeugdwerk, Opsinjoren, vormingswerk en sociaal-cultureel werk,
sportactiviteiten)? Of zijn er nieuwe investeringen in sociale infrastructuur
nodig (ontmoetingsprogramma diverse bewonersgroepen, openmoskee-acties, stadsetiquette)?
·
Zijn er voldoende hulp- en
zorgarrangementen (toeleiding werkgelegenheid, individuele dienstverlening,
jeugdbijstand, gedwongen maatregelen, crisisopvang, …)?
Voor elk
van die domeinen gaan we vervolgens op de verticale assen na of de nodige
beleidsinstrumenten aanwezig zijn om de doelstellingen te bereiken:
·
mensen (capaciteit of competentie)
·
middelen (geld, technologie of
methodiek)
·
regelgeving
·
afstemming
·
info & analyse
De VeiligMix zal in functie van genomen maatregelen permanent bijgewerkt en besproken worden op toezichtsvergaderingen. Betrokken kabinetten worden eveneens op de hoogte gehouden. Relevante info uit de VeiligMix van een buurt komt eveneens ter sprake op de Zonale Veiligheidsraad.
Stilaan groeit het besef dat er vroeg genoeg gewerkt moet worden met potentiële daders in plaats van louter op delicten. De delictaanpak dient te worden aangevuld met een daderaanpak waarbij het doen en laten van doelgroepen systematischer wordt opgevolgd. De feiten doen er toe, maar de mensen doen de feiten.
In dit
Stadsplan Veilig concentreren we ons daarom op zes doelgroepen:
·
jonge veelplegers
·
jonge meelopers
·
Balkankinderen
·
verslaafde veel- en vaakplegers
·
risicogezinnen
·
vuilhufters
We hebben
gekozen voor doelgroepen die we vrij goed kennen. Doelgroepen ook waar we in
het verleden al projecten voor hebben opgezet. Maar bovenal doelgroepen waarvan
we overtuigd zijn dat hun gedrag enorme impact heeft op de leefbaarheid van de
stad.
De
daderaanpak die we binnen doelgroepregie voorstaan, werken we verder uit in de
actieplannen. Voor sommigen zal het volstaan om een aantal projecten meer
slagkracht te geven zoals bij de jonge veelplegers of meelopers. Nieuwe
strafuitvoeringsmaatregelen zoals het huisarrest kunnen het verschil maken. Zo
kan een berisping op de jeugdrechtbank bij een aandachtsjongere wat
teweegbrengen. Maar bij andere doelgroepen zijn er verregaande
beleidsinspanningen nodig. Bij kinderen met een onzeker verblijfsstatuut zoals
Balkankinderen stoot de halfslachtige, individuele welzijnsaanpak stilaan op
een grens. Meer dan nu het geval is, dienen grondrechten van die kinderen
gerespecteerd te worden, maar binnen diezelfde mensenrechtenethiek kan een
weloverwogen terugkeerbeleid niet worden uitgesloten.
Het gaat hier om jongeren tussen 12 en 18 jaar tegen wie
in totaal meer dan vijf keer proces-verbaal is gemaakt. Zij zijn
oververtegenwoordigd in delicten zoals handtassenroof en diefstal met geweld of
diefstal uit auto. Het gaat in veel gevallen om jongens van vreemde origine die
vaak op zeer jonge leeftijd, 12 of 13 jaar, hun eerste feiten plegen. Zij
verzieken de boel voor heel veel Antwerpenaren en als kleine kern bezorgen zij
alle jongeren of alle allochtonen onterecht een slechte naam.
Er zijn in Antwerpen veel jongeren die talent hebben om
uit te groeien tot een veelpleger. Het gaat vaak om jongeren die doelloos en
verstoken van aandacht van ouders de straat en het plein van hen alleen
beschouwen. Zij hebben al eens een strafbaar feit gepleegd of ze staan op punt
om de overstap te maken. Ze hangen het
letterlijk en figuurlijk uit en ze zijn op die manier verantwoordelijk voor
veel overlast. Ze verpesten de boel maar vaak
kunnen gezagsfiguren (ouders, oudere broers, bemiddelaars, leerkrachten,
wijkagent of jeugdparket) het tij nog keren.
Antwerpen kent een stijgend aantal kinderen en jongeren
die op straat proberen te overleven. Hun juiste aantal kennen we niet, maar het
gaat zeker om een paar honderd kinderen. Ze bedelen, ze verkopen bloemen, ze prostitueren zichzelf of ze stelen, soms met gebruik van geweld. In
Antwerpen komen die kinderen meestal uit de Balkanregio. De meesten leven hier
in een onzeker verblijfsstatuut. Een deel van de groep evolueert naar jongeren
die regelmatig strafbare feiten plegen.
Het is een doelgroep waarvoor we de laatste jaren in
Antwerpen wel projecten hebben opgezet, maar waar iedereen toch met de handen
in het haar zit wegens de verwevenheid tussen illegaliteit, mensensmokkel,
onderduikgedrag en cultuureigen misbruik en onderdrukking.
We verwijzen hier naar reeds bestaande afspraken
tussen het parket en Binnenlandse Zaken inzake repatriëring van jeugdige
delinquenten naar het land van oorsprong en naar het Bestuursakkoord 2001-2006
waarin werd voorzien dat: "...de aanwezigheid van illegale vreemdelingen
ter kennis van de minister zal worden gebracht en dat de stad op loyale wijze
haar verantwoordelijkheid zal nemen voor de integrale uitvoering van het door
de nationale regering uitgestippeld beleid inzake illegale
vreemdelingen...".
Zoals
iedere grootstad, huisvest Antwerpen een behoorlijk aantal risicogezinnen. Die
gezinnen hebben het moeilijk op allerlei vlak: beperkte weerbaarheid, lage
zelfredzaamheid, wankele sociaal-psychische gezondheid, beperkte pedagogische
draagkracht, opvoedingsmoeilijkheden. Die problemen uiten zich in
verwaarlozing, frustratie, antisociaal gedrag tot huiselijk of familiaal
geweld. De feiten spelen zich vaak verborgen af achter huisgevels. Veel feiten
spelen zich af bij gezinnen die sociaal geïsoleerd zijn. Veel van die gezinnen
leven in sociaal kwetsbare buurten. Problemen binnenshuis stralen af op het
buurtgedrag of de omgang met anderen. Als gevolg van familiale of individuele
problemen ontstaan er dus buurtproblemen en gevoelens van onzekerheid en
onveiligheid die overlast in de hand kunnen werken.
Veelplegers zijn personen tegen wie in totaal meer dan
tien keer proces-verbaal is opgemaakt. Zij volharden in crimineel gedrag. Ze
zijn de zogenaamde draaideurklanten van politie, justitie en hulpverleners, het
vast cliënteel, overwegend mannen die actief zijn in de grote steden.
Er is onmiskenbaar een verband tussen problematisch
druggebruik, criminele veelplegerij en criminele overlast. Naar schatting 80
procent van de veelplegers is verslaafd aan harddrugs, alcohol of gokken.
Minstens de helft van de gevangenisbevolking bestaat uit druggebruikers. Bij
de top 10 van Antwerpse veelplegers is
de helft druggebruiker. Zij plegen hoofdzakelijk inbraken en diefstallen om in
hun verslavingsbehoefte te voorzien: woninginbraak, auto-inbraken, handtassenroof, winkeldiefstal of diefstal
met geweld. Zij stellen ook overlastgevend gedrag in de vorm van psychische
verwardheid, zwerven en ongezond voorkomen. Systematische dataverzameling over
het aantal druggebruikers onder de gevatte daders ontbreekt vooralsnog. We weten wel dat de drugoverlast
geconcentreerd neerslaat in een aantal wijken.
Sluikstorters en straatbevuilers teisteren de stad. Hun
juiste aantal kennen we niet maar de hoeveelheid vuil die ze zomaar achterlaten
op straat doet vermoeden dat ze met niet weinig zijn. Afgaand op de
vaststellingen van straatvrijwilligers, politie en beëdigde ambtenaren zitten
er bij de vuilhufters veel illegalen en asielzoekers. Maar ook oudere
Antwerpenaren en stadsbezoekers bezondigen zich aan sluikstort. Kinderen en jongeren gooien dan
weer al te
vaak achteloos afval in de goot. Rond deze dadergroep dient een meer
doelmatige en doelgerichte repressieve aanpak te worden uitgewerkt. Informatie
& sensibilisering mag hierin niet ontbreken, maar de beleidsoptie om met
borstel en blik achter de vuilhufters aan te sloffen is niet vol te houden.
Net zoals met de VeiligMix in buurtregie, dient er in doelgroepregie gewerkt te worden aan een afstemmingsinstrument dat alle partners op een lijn krijgt.
Antwerpen
heeft de laatste jaren werk gemaakt van de aanpak van risicojongeren en
jeugdcriminaliteit. Met hulp van de federale overheid zagen verschillende
projecten het licht. Daarnaast investeert de stad al jaren met het veiligheids-
en preventiecontract in doelgroepprojecten.
Die losse
doelgroepprojecten hebben hun deugdelijkheid bewezen. Onvervulde noden werden met projectmiddelen
ingevuld, al woog de kleinschaligheid en de projectfinanciering vaak op de
resultaten. Veel van die projecten zijn organisatorisch nauwelijks ingebed op
een niveau dat efficiëntie en effectiviteit kan garanderen. Hieruit dienen
lessen te worden getrokken. Met de oprichting van het Centraal Meldpunt voor
spijbelaars en niet-schoolbaren is op onderwijsvlak een stap voorwaarts gezet.
Maar de nood aan sectoroverschrijdende coördinatie van doelgroepprojecten en de
intensivering van bestaande samenwerkingsverbanden is erg groot. Met de
VeiligTrajectTerminal (VTT) willen we hieraan tegemoet komen.
De Veilig Traject Terminal is een nieuwe samenwerkingsvorm waarbij een aantal veiligheidspartners signalen over deviant of crimineel gedrag van een doelgroep ter sprake brengen. Doel is om op basis van een persoonsgerichte aanpak een VTT-traject op te zetten dat via een centraal beheerd casemanagement continu kan opgevolgd worden. Voor elke case worden passende acties en maatregelen voorgesteld op het vlak van preventie, zorg of repressie.
Deelnemende
strategische partners voor een VTT risicojongeren zijn bijvoorbeeld:
·
politie (cel
jongerencriminaliteit en jeugdbrigade)
·
jeugdparket
·
stadsbestuur (Integrale Veiligheid,
Onderwijs & Sociale Zaken)
·
integrale jeugdhulp of bijzondere
jeugdbijstand.
Iedere
strategische partner heeft de verantwoordelijkheid om acties en maatregelen uit
te besteden aan de meest gerede operationele partner binnen zijn of haar
sector.
Met de
Veilig Traject Terminal stemmen we interventies op strafrechterlijk en
pedagogisch vlak tussen de partners af door:
·
vroeger in te grijpen
bij de eerste tekenen van spijbelgedrag (onderwijscontext) en anti-sociaal
gedrag (vrijetijdssfeer & jeugdienst);
·
sneller in te grijpen met een gepaste
reactie (vrijwillig of verplicht opgelegd)
·
daadkrachtiger in te grijpen
(gezamenlijke beslissing van verschillende partners.
Deze aanpak
stelt enorme uitdagingen voor de samenwerking tussen verschillende diensten.
Maar het is de enige manier om schotten te slechten. De omslag van een
doelgroep aanpak van elke instantie afzonderlijk (als dader, MOF-jongere,
POS-er, spijbelaar, druggebruiker, leefloner, …) naar een case-managment op
persoonsniveau vergt de nodige voorzichtigheid met betrekking tot de
deontologische code van de betrokken instanties en de privacy wetgeving
terzake. Kritieken zoals ‘de doos van pandora’ & ‘big-brother-syndromen’
zijn immers snel geformuleerd.
Het is, en kan
niet de bedoeling zijn om van de VeiligTrajectTerminal een hefboom te maken om
verschillende bestanden en persoonsgegevens van verschillende instanties
informatica-gewijs aan elkaar te koppelen.
Iedere besproken jongere wordt in een traject geplaatst met bijhorend contract waarin de besproken en genomen maatregelen of acties worden vastgelegd. De maatregelen zoals vastgelegd in de terminal kunnen vele richtingen uitgaan in de vorm van:
·
onderwijsarrangementen:
aanwezigheid op school, deeltijds onderwijscontract, …
·
werkarrangementen:
werkervaringsplaats, sollicitatiebegeleiding, stageplaats, …
·
hulparrangementen:
vrijwillige trajectbegeleiding, arbeidszorg, medische hulp, drugshulpverlening,
opvoedingsondersteuning, vrijetjjdstoeleiding, …
·
vrijetijdsarrangementen:
spel & sportvoorzieningen, jeugdwerking, jeugdhuizen, …
·
‘strafmaatregelen’:
huisarrest, verplichte trajectbegeleiding of vorming, herstelbemiddeling,
alternatieve maatregelen, residentiële maatregelen.
Het
stadsbestuur zorgt voor de inhoudelijke en logistieke ondersteuning van de VTT.
De Databank Sociale Planning levert in de aanloopfase de knowhow omtrent het
gegevensbeheer en de informatie-uitwisseling. Zij leggen ook de vuistregels
vast en de voorwaarden waaronder op een deontologisch verantwoorde manier
informatie kan worden aangebracht door verschillende partners.
De stad wil financieel in deze VeiligTrajectTerminals investeren maar dat betekent tegelijkertijd dat er met een kerntakenbril voor verschillende projecten strenger zal worden gekeken naar beleidsplanning en financieringsinspanningen van de verschillende bestuursniveaus.
Naast de geselecteerde acties op vlak van
buurt- en doelgroepregie, leert een blik op de VeiligMix dat een aantal
programma’s stadsbreed dienen te worden gepland.
Met sommige programma’s kunnen we
inspelen op opportuniteiten die zich aandienen zoals de gemeentelijke
administratieve sancties. Met andere werken we lacunes weg die gesignaleerd
worden in de VeiligMix zoals de nood aan meer buurtbemiddeling of sociale
tewerkstelling. In een
aantal programma’s spelen bovenlokale overheden een bijzondere rol. Zo biedt
het regeerprogramma van de nieuwe Vlaamse regering allicht kansen om de
projecten met risicojongeren Vlaams te verankeren. Op federaal vlak liggen een
nieuw grootstedenbeleid en een heroriëntatie van het VPC in het verschiet. Voor
de aanpak van leefbaarheidsproblemen en de overlastbestrijding kan dit extra
zuurstof betekenen.
Volgende
programma’s zetten we stadsbreed op. In het najaar krijgt ieder programma een
verantwoordelijke trekker binnen de stad.
Camera’s op
straat, op een plein of op een sluikstortplek kunnen de veiligheid helpen
vergroten. Cameratoezicht werkt preventief ter beteugeling van antisociaal
gedrag en het vermijden van misdrijven. Vanzelfsprekend moeten er voldoende
waarborgen zijn voor de privacy van de burgers. Uit de meeste buitenlandse evaluaties
van cameratoezicht blijkt dat minstens drievierde van de bevolking de inzet van
camera’s steunt. Het loont dus de moeite om cameratoezicht op welbepaalde
plaatsen te organiseren, als aanvulling op het klassiek toezicht.
Typische overlastproblemen zoals sluikstort, nachtlawaai of lichte vormen
van vandalisme blijven als misdrijf vaak ongestraft omdat politie en parket
andere prioriteiten hebben. In het nieuwe zonaal veiligheidsplan 2005-2008 werd
overlastbestrijding voor het eerst als een prioriteit weerhouden. Bovendien is er sinds kort de wijziging aan
de nieuwe gemeentewet die gemeenten toestaat om samenlevingsproblemen en
antisociaal gedrag te bestraffen met administratieve sancties. In het geval van
minderjarigen kunnen geldboetes vervangen worden door opvoedkundige of
alternatieve maatregelen. Bij meerderjarigen is er voorafgaand aan de
administratieve sanctie de mogelijkheid tot herstelbemiddeling. De sanctie zelf
kan voor hen bestaan in een werkstraf. De nieuwe wet noopt ons tot herziening
van het politiereglement en biedt nieuwe kansen op vlak van verplichte
gemeenschapsdiensten. De stedelijke administratie dient zich de komende maanden
op deze opportuniteit zorgvuldig te organiseren.
Antwerpen telt naar schatting 150 vzw’s waar allochtone Antwerpenaren
elkaar ontmoeten. Een deel van de vzw’s speelt een belangrijke rol in het
sociaal leven van Antwerpenaren van vreemde origine. Andere vzw’s tasten echter
de leefbaarheid van een buurt aan in de vorm van drugsoverlast, nachtlawaai of
storend rondhanggedrag. De panden waarin de vzw’s gehuisvest zijn, geven
bovendien vaak een verloederde indruk.
Met een stedelijk
keurmerk vzw Oké willen we het kaf van het koren scheiden. Vzw’s die na
grondige controle van inspectiediensten en politie goed scoren op een
criteriumlijst kunnen een jaar lang het keurmerk vzw Oké voeren. Criteria zijn
onder andere: twaalf maanden voor de toekenning klachtenvrij zijn, in orde zijn
met de brandveiligheid en de wettelijke vzw-verplichtingen, beschikken over de
nodige attesten en het aanbrengen van correcte gevelinfo.
De stad heeft de
laatste jaren positieve ervaringen opgedaan in straat- en buurtonderhoud
dankzij goede coaching van langdurig werkzoekenden in sociale
tewerkstellingsprogramma’s. De Witte Tornado’s zijn hiervan het meest gekende
voorbeeld.
De nood aan extra
werkkrachten voor propere straten blijft torenhoog. In samenwerking met de
stadsdiensten, de koepel van buurtbeheerbedrijven en toeleidings- en
tewerkstellingsinitiatieven, dient het jobaanbod voor straatbeeldwerk via
sociale tewerkstelling en alternatieve maatregelen uitgebreid te worden. Met
dit programma slaan we twee vliegen in één klap: een deel van de menskracht
voor buurt-aan-de-beurt-acties of veegplannen valt niet langer uitsluitend ten
laste van het bestaande stadspersoneel. En met dit werkaanbod gaan we in op de
vraag naar extra plaatsen van organisaties die werken in het kader van
alternatieve maatregelen.
De stad telt hoe langer hoe meer jongeren. Zij mankeren
vaak fysieke en mentale ruimte. Zeker allochtone jongeren claimen om die reden
publieke ruimte. Typisch jeugdgedrag wordt door anderen en ouderen vaak
verkeerd begrepen. Even zo vaak dienen jongeren met recht en rede te worden
terechtgewezen op anti-sociaal gedrag.
Er is de laatste tijd geëxperimenteerd met projecten om
jongeren in te zetten op straat om leeftijdgenoten terecht te wijzen.
Jongerencoaches, jeugdmentoren of bemiddelaars zijn hiervan een voorbeeld. In
dit programma stroomlijnen we diverse versnipperde projecten om met de oudere
broeraanpak resoluut te kiezen voor de inzet van oudere jongeren in
buurtbemiddeling en mentorschap. Op hotspots kunnen die oudere jongeren, in
aanvulling van ander toezicht, een oogje in het zeil houden en balorig gedrag
vroeg genoeg bijsturen.
Al te vaak worden allochtone jongeren met de vinger
gewezen. Onderzoek naar de familiale context van delinquente jongeren van
Marokkaanse origine heeft uitgewezen dat zij opgroeien in gezinnen met gedrags-
en gezagspatronen die in de jaren vijftig in zwang waren
in typisch Vlaamse gezinnen. Ouders verdienen meer steun in de opvoeding van
hun kinderen die vaak tussen twee culturen vallen.
Er dient
een volwassenenbeweging te worden opgebouwd die allochtonen via een waaier aan
sociaal-cultureel werk (ontmoeting, vorming, actie) weerbaarder maakt en meer
kansen biedt tot deelname aan de samenleving. Via de subsidiepolitiek aan
zelforganisaties en koepelverenigingen kan de stad keuzes maken en richting
geven aan dit veelomvattende project.
Er heerst in Antwerpen grote
ontevredenheid over de huidige concentratie aan drughulpverlening in de
Atheneumbuurt. De centra De Sleutel en Free Clinic werken op een boogscheut van
elkaar. Vlakbij is er ook de nachtopvang voor daklozen, de Biekorf. De buurt
kent sinds een aantal jaren een drugsscene op en rond het De Coninckplein, maar
de beide hulpverleningscentra hebben een grote bovenlokale uitstraling. Om
verschillende redenen vinden buurtbewoners, beleid, druggebruikers als de
hulpverleningcentra dat er iets moet veranderen.
Om de
druggerelateerde overlast terug te dringen dient de dienstverlening zich meer
gespreid in te planten in de stad en dit in functie van de verblijfplaats van
de cliënten, de kwaliteit van de dienstverlening in de centra en de draagkracht
van de omwonenden. In de komende maanden dienen verschillende pistes door de
werkgroep ‘deconcentratie’ versneld te worden onderzocht op wenselijkheid en
haalbaarheid.
De
afgelopen jaren ging er in Antwerpen al veel aandacht naar preventie- en
veiligheidsbeleid. Dat vertaalde zich in een waaier aan losse projecten,
gefinancierd door verschillende beleidsniveaus en uitgevoerd door verschillende
stadsdiensten en derde partijen. Het is niet gemakkelijk om een zicht te
krijgen op het totaalbeeld. De behoefte aan coördinatie is derhalve groot. Maar
dat geldt bij uitbreiding voor heel veel terreinen van het sociaal beleid.
De
stad legt momenteel op vraag van de Vlaamse regering de krachtlijnen vast van
het toekomstig sociaal beleid. Dat is geen vrijblijvende oefening. Het beleid
dient zich uit te spreken over haar kerntaken op sociaal vlak, over de gewenste
financiering en planningsinstrumenten. Het is van groot belang dat
doelgroepgebonden veiligvraagstukken hierin een plaats krijgen. Dit stadsplan
sluit dus aan bij de stadsambities met het lokaal sociaal beleid.
De projecteenheid Veilig voert de regie over de verschillende actieprogramma’s uit dit stadsplan. Dat kan alleen met een kleine ploeg enthousiaste medewerkers die gemandateerd is om uitvoeringsproblemen te signaleren bij bevoegde organisaties en oplossingen af te dwingen in beter gecoördineerde acties.
Die
regierol moet de projecteenheid ernstig nemen, meer dan in het verleden het
geval was. Werkprocessen die het regisseurschap in de weg staan, gaan eruit.
Verzelfstandiging van taken en projecten is aangewezen.
Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat het fondsenbeheer van het Veiligheids- en Preventiecontract overgeheveld wordt naar Vespa, het stadsbedrijf dat instaat voor het programmabeheer van de andere bovenlokale fondsen. Dat betekent ook dat personeel dat veldwerk levert bij vzw’s, maar officieel in dienst is bij de stad, zoals het straathoekwerk of de drugsprojecten van het VPC, overgedragen wordt aan die vzw’s. Op die manier vermijdt de stad rechter en partij te zijn bij projectevaluatie. Op die manier ligt de werkgeversverantwoordelijkheid bij die organisatie die tegelijk de resultaten op het terrein moet boeken.
Voor de
uitvoering van acties, volgend uit buurt- en doelgroepregie, wordt gekozen voor
een beperkt aantal operationele vzw’s, respectievelijk RISO en CAW Metropool.
Bij RISO wordt het straathoekwerk en Samen op Straat ondergebracht. Bij CAW
Metropool vinden doelgroepprojecten zoals ADAM en U-Turn onderdak. Voor
jongerencoaching, jeugdmentorschap en buurtbemiddeling is KIDS eveneens een uitvoeringspartner.
De Databank
Sociale Planning van de stad is de geprefereerde uitvoeringspartner op vlak van
analyse, dataontsluiting en dataverwerking. Als een stedelijk sociaal- en
cultureel planbureau centraliseren zij medewerkers die nu verspreid over de
stad als analisten aan de slag zijn.
Het is
zonneklaar dat politie en parket ‘compagnons
de route’ zijn in heel de
operationele uitvoering van het stadsplan. In een driehoeksoverleg op ambtelijk
niveau zal de samenwerking en de inzet permanent geëvalueerd worden.
De projecteenheid Veilig voert het stadsplan uit met
drie operationele cellen, bijgestaan door
één strategische cel en voldoende logistieke ondersteuning. De regie van het
kernbeleid Veilig gebeurt dus maximaal bij de stad zelf en niet in een aparte
regie vzw.
Projecten die ook werk maken van
samenlevingsopbouw kunnen worden ondergebracht bij Ciso vzw, die daarbij
optreedt als servicecenter."
Het
leeuwendeel van de middelen voor het kernbeleid Veilig
wordt gefinancierd
door bovenlokale fondsen. De besteding van die middelen gaat vlotter en
correcter via een door de stad ondersteunde vzw.
In de
strategische cel gebeurt de overkoepelende beleidsvoorbereiding en
–coördinatie. De cel bestaat onder meer uit de preventieambtenaar, twee
projectaccounts en een interne evaluator. Het uitwerken van richtlijnen en
blauwdrukken voor degelijk contractmanagement behoort tot de kerntaak van deze
cel, evenals het actualiseren van omgevings-, beleids- en managementinformatie.
De eerste
operationele cel werkt aan openbare orde. Hieronder vallen alle taken in het
kader van openbare veiligheid, de rampenbestrijding en de voorbereiding en
opvolging van ordemaatregelen die de burgemeester kan nemen in het kader van
openbare orde, rust en veiligheid. Het projectmanagement van de gemeentelijke
administratieve sancties en het keurmerk vzw Oké valt hier eveneens onder.
De tweede
operationele cel werkt gebiedsgericht en doet aan buurtregie. Buurtregisseurs
houden met de VeiligMix de vinger aan de pols in moeilijke buurten. Hieronder
valt de organisatie van buurt-aan-de-beurt-acties, doorlopende coördinatie van
en signaaldispatching bij stedelijke en niet-stedelijke diensten. De
straataanpak, buurt-aan-de beurt X-stra!, valt eveneens onder deze cel.
De derde operationele cel werkt dadergericht met
doelgroepregie. Verschillende casemanagers zetten de VeiligTrajectTerminal op
voor hun doelgroep. In samenwerking met DSP beheren zij ook de caseregisters
per doelgroep. In deze cel wordt ook het lopend projectaanbod tegen het licht
gehouden en worden desgevallend nieuwe projectideeën geformuleerd. Meer dan in
de andere cellen wordt het bestaande werkveld door deze cel uitgedaagd om in
transparantie en met zakelijke uitbestedingsrelaties kwaliteitsvol werk af te
leveren. De afstemming tussen partners onderling en beleidsafspraken met
bovenlokale overheden zijn hier van cruciaal belang.
![]()
![]()

De stad
besteedt het grootste deel van de eigen middelen voor het veiligheidsbeleid aan
een goede werking van politie. Met de politiedotatie van 136 miljoen euro komt
de stad voor 78 procent tussen in het totaalbudget van de lokale politie (175,3
miljoen euro). Daarnaast beschikt de politie over een investeringsbudget van 6,3
miljoen euro.

Het bestuurlijk luik van het stedelijk veiligheidsbeleid wordt
hoofdzakelijk gespijsd door twee bovenlokale fondsen: het federaal
grootstedenbeleid en het federale Veiligheids- en preventiecontract. Slechts
een fractie van de projecteenheid Veilig wordt betaald met stadsmiddelen. Het
totaalbudget voor het stedelijk niet-politioneel veiligheidsbeleid bedraagt in
2005 6,9 miljoen euro. Hieronder ziet u
de verdeling naar financieringsbron.
De grootste financieringsbron is het Federaal Grootstedenbeleid (FGSB). Doelgroepregie wordt volledig met die middelen gefinancierd evenals een deel van de buurt-aan-de-beurt acties. De uitbesteding van integrale jeugdhulpprojecten en alternatieve maatregelen valt eveneens binnen dit financieringsluik. Het FGSB is in 2005 goed voor afgerond 3,3 miljoen euro.
Voor het zoveelste jaar op rij
wordt het Veiligheids- en preventiecontract (VPC) in 2005 met een jaar verlengd
zonder nieuwe richtlijnen. De contracten krijgen pas in 2006 een meer
strategisch federaal beleidskader. Onder het VPC valt het grootste deel van
buurtregie en ook de uitbesteding van drughulpverleningsprojecten, het
straathoekwerk en buurttoezicht vallen daar ten dele onder. In 2005 is het VPC
goed voor naar schatting 2,4 miljoen
euro.
De stad zelf betaalt volledig
de cel openbare orde en een aantal staffuncties.Daarnaast voorziet de stad in
200 000 euro extra voor buurt-aan-de-beurt. Bijzonder is wel dat in
tegenstelling tot andere bovenlokale fondsen de stad een opleg betaalt voor de
financiering van personeel dat betoelaagd wordt door het VPC. De bijpas of
stadsopleg bedraagt 15 procent van het VPC-personeelsbudget of 345 000 euro.
Jaarlijks ontvangt de stad in
het kader van het federale plan van Justitie 260 000 euro voor gerechtelijke hulpverleningsprojecten.
Antwerpen gebruikt die middelen voornamelijk als capaciteitsuitbreiding van
bestaande projecten zoals Adam, Elegast of U-Turn.
Dit stadsplan werd geagendeerd
op het college van 22 oktober 2004 en zal worden voorgelegd aan de gemeenteraad
op 29 november 2004.
De driehoekspartners bespreken
het stadsplan op de zonale veiligheidsraad van 6 december 2004 samen met de op
het stadsplan geënte actieplannen overlast en jongerencriminaliteit waarvan de
stad hoofdauteur is.
In principe draait het stadsplan Veilig tegen 1 januari 2005 op volle kracht. Rond die datum dienen een aantal mijlpalen te worden gehaald op het vlak van:
§
actieplanning,
§
programmaplanning
§
fondsenbeheer,
§
contractmanagement,
§
procesmodellering & personeelsbehoeften,
§
budgetplanning & begroting.
Voor elk van de domeinen wordt
een mijlpalenplan en bijhorend activiteitenplan vastgelegd in de loop van de
komende maanden. Het meeste werk dient in lijn met de tijdsplanning van de
algemene strategische coördinatie af te zijn tegen 20 december 2004.
Onder
voorbehoud van goedkeuring van de actieplannen door het college wordt in
principe volgende timing nagestreefd:
§
per 1 januari 2005 lopen de
buurt-aan-de-beurt-acties jaarlijks twee keer in elk van de 10 hotspotbuurten;
§
vanaf 1 januari 2005 start de extra
buurt aan de beurt Van Kerckhovenstraat. De andere straten volgen in de loop
van het jaar;
§
tegen 1 januari 2005 heeft de VTT
Risicojongeren (veelplegers en meelopers) een kick-off gehad in 5 piloot
peergroups (plegers Linkeroever, plegers Draaiboom, plegers Jos Van Geellaan,
plegers Krugerplein en plegers Stadspark en omgeving);
§
tegen 1 januari
2005 is in het kader van programma II de nieuwe politiecodex van kracht. Zodra recente federale regelgeving
betreffende de administratieve sancties ten uitvoering
wordt gelegd, zal de stad haar reglementen hieraan aanpassen;
§
tegen 1 februari 2005 ligt er een
beslissingsplan voor in het kader van programma VII;
§
op de gemeenteraad van januari 2005
worden de fondsenprogrammadocumenten VPC en FGSB ter goedkeuring voorgelegd;
§
de
uitvoeringsovereenkomsten VPC 2005 en FGSB 2005 die de projecteenheid Veilig
afsluit met operationele partners passen tegen 1 januari 2005 volledig in het
nieuwe contractmanagement;
§
de projecteenheid Veilig beschikt
tegen 1 januari 2005 over een nieuw personeelsbehoefteplan voor die taken die
via procesmodellering in kaart zijn gebracht;
§
tegen 1 januari 2005 gaan voormalige
SOMA-projecten Adam en U-turn over naar CAW Metropool en Samen op Straat naar
RISO;
§
tegen 1 januari 2005 is de regiegroep
VISIEr volledig geïncorporeerd in de projeceenheid Veilig;
§
tegen 1 juli 2005 is het VPC volledig
overgedragen aan Vespa en is de stadsbegroting in die mate gewijzigd dat
operationele partners met stadstoelages ten volle hun werkgeversverantwoordelijkheid
kunnen nemen.











